|
|
| Vrouw speelt nog altijd marginale rol in het IOC | | vrijdag november 13 2009 | Vrijdag telt het IOC 113 leden, 96 mannen en 17 vrouwen, een wel zeer grote wanverhouding.
Het is woensdag scherp opletten bij het maken van de traditionele groepsfoto van het Internationaal Olympisch Comité (IOC). Waar staan de vrouwen? Zij vormen wel een zeer kleine minderheid in het geharnaste geweld van de olympische mannen in hun doorgaans zwarte dan wel blauwe pakken. De blazer, ooit het kenmerk van de echte bobo, is uitgestorven.
Nicole Hoevertsz, dochter van een Limburgse moeder (Marie-José Smarius) en een Arubaanse vader, is een van die weinige IOC-vrouwen. Zestien om precies te zijn. Vrijdag komt er eentje bij: Lydia Nsekera uit Burundi. Die zeventien vrouwen moeten het opnemen tegen liefst 96 mannen.
De boodschap van de foto is evident: het is niet eerlijk verdeeld in deze wereld. Hoevertsz, met de Poolse oud-atlete Irena Szewinska de langste van het vrouwenechelon, kent de verhoudingen in de wereld van het olympisch sportbestuur. Ze weet dat er veel tijd nodig zal zijn om de wanverhouding, ook na emancipatiegolf 1 en 2, te verevenen.
Hoevertsz: ‘Onze voorzitter, Jacques Rogge, doet enorm zijn best om meer vrouwen in het IOC te krijgen. Hij heeft ontzettend veel vrouwen in commissies benoemd. Maar de werkelijkheid is weerbarstig.’
Zij kwam in 2006 tot haar verrassing in het IOC. Ze werd in Turijn gekozen, tijdens de Winterspelen, een evenement waarnaar Aruba nooit atleten afvaardigt.
‘In 2002 werd ik lid van de commissie Vrouwen & Sport van het IOC. In 2005 werd ik voor het grote IOC gevraagd. En dan sta je tot je eigen verrassing opeens op de lijst van te verkiezen IOC-leden. Ik ervaar het als een groot goed. Ik heb er nooit om gevraagd. Ik ben maar een vertegenwoordigster van een klein eilandje.’
De benoeming van Nicole Hoevertsz was het voorlopige eindstation van een lang traject dat in 1984 aanving met deelname aan de Olympische Zomerspelen van Los Angeles. ‘Ik deed kunstzwemmen, in het duet met Esther Croes, nu mijn schoonzus. We werden achttiende.’
Van lid van de Arubaanse zwembond schopte de juriste, opgeleid in Leiden, het tot algemeen secretaris van die sportorganisatie. In 1997 werd ze secretaris-generaal van het Arubaans Olympisch Comité. ‘Dat jaar werd ik de eerste vrouw in het bestuur van de PASO, de organisatie van de pan-Amerikaanse Spelen.’
Zo ging het door, tot ze preses was van de commissie Vrouw & Sport van de ODEPA, nog zo’n Zuid-Amerikaanse sportorganisatie. ‘In die hoedanigheid heb ik veel gereisd om vrouwen te motiveren mee te doen in het sportbestuur. Qua atleten doen we het goed in Zuid-Amerika. Vrouwen hebben daarin hun inbreng. Maar het besturen laten ze aan mannen.
‘Ik begrijp het niet. Vrouwen in Caribische gebieden zijn moedig. Het zijn vaak alleenstaande moeders die hun plaats hebben moeten bevechten in een wereld van machismo.
‘Het is gemakkelijk om te zeggen dat in Nederland de vrouw meer geëmancipeerd is. Maar als ik de krantenberichten volg, dan zeg ik: don’t take it for granted.’
In 1981 kwam er voor het eerst een vrouw in het IOC: Pirjo Häggman uit Finland. In 1995 stelde het Internationaal Olympisch Comité zich tot doel het aantal vrouwen in sportbesturen op te schroeven tot 20 procent in 2005. De NOC’s en de internationale federaties beloofden dit voorbeeld volgen. 30 procent van die laatste twee organisaties voldoet aan die opdracht. Het IOC heeft 15 procent gescoord.
Vier vrouwen, onder wie Erica Terpstra bij NOC*NSF in Nederland, voeren in hun land (er zijn 205 lidnaties) het nationaal olympisch comité aan. De grote revolutie zou zijn, als het IOC zou worden voorgezeten door een vrouw. De Amerikaanse Anita de Frantz schopte het tot vicepresident. Meer kans wordt op dat vlak toegedicht aan de Marokkaanse Nawal El Moutawakel, zij is voorzitter van twee evaluatiecommissies geweest, de verkenningstroepen van het IOC.
Hoevertsz: ‘Qua capaciteit zou Nawal een zeer acceptabele kandidaat zijn. Maar of het zo snel gaat gebeuren. Het is nog een kwestie van wennen aan het idee. Ik denk dat het nog even op zich laat wachten.’
Door: John Volkers. Bron: Volkskrant, 8 oktober 2009 |
|
 |